78. Mijn Venus van Milo (12 maart 2020)

René Jansen - Beeldend Kunstenaar

Mijn Venus van Milo.


Ergens in een hoekje van m’n atelier staat een replica van het wereldberoemde beeld: “De Venus van Milo”. Het beeld werd in 1820 door een boer in een veld gevonden op het Egeïsche eiland Melos (Italiaans: Milo) Het beeld wordt beschouwd als een symbool van eeuwige schoonheid en is vermoedelijk vervaardigd zo’n 130 jaar voor Christus door Alexandros van Antiochia. Het zal; we nemen het voor kennisgeving aan. Het originele marmeren beeld met een totale hoogte van 2 meter en 2 cm staat nu in het Louvre. Mijn replica, gemaakt van gips is slechts 94 cm hoog, maar dan moet het koppie wel op de juiste plek zitten. Inmiddels is dat allang niet meer het geval en meet het beeld in de huidige staat nog maar 79 cm. Polle, onze Drentsche patrijshond, die allang niet meer onder ons is, heeft het ooit in een enthousiaste bui van de sokkel gelopen. Een marmeren beeld had de val misschien nog wel overleefd, maar deze van gips kwam dusdanig lullig terecht, dat niet alleen het hoofd eraf lag, maar ook de wonderschone borstpartij compleet was verbrijzeld. ‘k Vond het doodzonde en moest wel even slikken en tot tien tellen om het beest niet ongelofelijk op z’n donder te geven. Is gelukkig niet gebeurt, want weet die hond veel.


Het beeld is een erfstuk en kwam via m’n ouders bij mij terecht. Niet zo verwonderlijk gezien de voorgeschiedenis. Ze stond vroeger in de erker bij m’n opa en oma van vaders kant. In de vitrinekast bij ons in de keuken staat een oude enigszins beschadigde zwart/wit foto waarop ik samen met m’n oma het beeld over het hoofd aai. Ik weet daar natuurlijk niets meer van, want hoe oud zal ik daar geweest zijn? Anderhalf, twee? Ik kon in ieder geval al wel staan. De foto is gemaakt door mijn vader die al heel vroeg en als eerste in de familie zich zo’n speeltje aanschafte. Ik vind het ook een aandoenlijke foto, waarop mijn toch wel zeer vroege bewondering voor het vrouwelijk schoon mooi tot uitdrukking komt. Grappig dat m’n focus helemaal op haar gezicht is gericht en dat er nog geen enkele behoefte is om ook de vrouwelijke welvingen te beroeren. ’t Is ook maar zeer de vraag of oma dat op prijs had gesteld; of zelfs maar zou hebben toegestaan. Ze houd voor de zekerheid Venus ook maar vast, want je weet maar nooit; ‘k sta daar waarschijnlijk nog behoorlijk wankel op de beentjes en oma nam liever het zekere voor het onzekere. Naar het schijnt moest dit ritueel bij elke visite minimaal een aantal keren herhaald worden. Toen het beeld na het overlijden van m’n oma bij m’n ouders terecht kwam, had Venus inmiddels een zichtbaar glad slijtplekje op haar hoofd.


M’n opa had het gipsen beeld ooit om onduidelijke redenen bruin geverfd. En in plaats dat m’n vader haar nou wit verft, deed ie er nog een schepje bovenop, door haar te verbronzen. Hij heeft dat overigens zo goed gedaan dat het wel leek alsof we een echt bonzen beeld hadden; maar het slaat natuurlijk nergens op. Wij zijn echter ook zo gewend geraakt aan het feit dat die beelden van wit marmer zijn dat we vergeten dat de Grieken hun beelden in de tijd van hun ontstaan ook beschilderden; maar dan in natuurlijk tinten.
Toen m’n vader overleed, was het niet meer dan logisch dat ik de Venus zou krijgen. ‘k Geloof zelfs dat het testamentair was vastgelegd. Hoe het ook zei, ik had al zo lang tegen dat nepbrons aangekeken, dat ik heel erg de behoefte had om het ding eindelijk eens wit te verven. ‘k Heb dat gewoon met een pot gesso gedaan; als het maar wit is niet waar. Afgezien van het desastreuze ongeluk, waarbij het arme wicht onherstelbaar vernield werd kun je op de foto ook mooi zien dat ze het wel vaker zwaar te verduren heeft gehad. De beschadigingen heb ik maar gelaten voor wat ze zijn, maar om het ding nou helemaal in de kliko te flikkeren, ging me net even iets te ver. Ze staat me niet in de weg en misschien doe ik er ooit nog eens iets mee en anders maar niet.