Chet (26 augustus 2016)

René Jansen - Beeldend Kunstenaar

Chet – 26 augustus 2016

 

Binnen de popmuziek is het allang niet meer ongebruikelijk dat musici zich bedienen van geestverruimende middelen, ook wel aangeduid als drugs. Enerzijds ingegeven door het idee, dat je er betere muziek van gaat maken. Anderzijds om de hectiek rondom het popidolendom enigszins draaglijk te maken; dus om het domweg vol te kunnen houden. Dat drugsgebruik makkelijk kan ontsporen, mag inmiddels ook genoegzaam bekend zijn. De voorbeelden zijn legio. Wonder boven wonder loopt het soms op miraculeuze wijze ook nog goed af. Eric Clapton, David Crosby, James Taylor, waren echt grootgebruikers als het om geestverruimers gaat, toch lopen ze nog steeds “alive and kicking” rond. Maar verreweg de meesten leggen vroeg of laat het loodje. De legendarische club van 27 is daar het morbide bewijs van. Ook gasten die nog wel wat langer doorgingen, moeten uiteindelijk de strijdbijl neerleggen. Want dat is natuurlijk wel wat het op den duur wordt; een gevecht tegen de verslaving. Rory Gallagher” overleed aan de gevolgen van een infectie na een levertransplantatie; had gewoon te veel gezopen. John Martyn was eerder getrouwd geweest, maar z’n eigenlijke huwelijk was die met de fles. Google een afbeelding van de man vlak voor z’n dood en je schrikt je helemaal wezenloos. Kurt Kobain schoot zichzelf voor z’n kop, omdat ie het allemaal niet kon handelen. Onze eigen rock & roll junkie vond het een goed idee om van het Hilton af te springen, nadat ie zich gewonnen gaf; waarschijnlijk met de woorden van Neil Young in het achterhoofd: “it’s better to burn out, than to fade away”.

 

Voordat het licht bij menig popmuzikant uitging, was er een soortgelijke cultuur binnen de jazzwereld. Hierbij ging het veelal om de destructieve werking van heroïne en alcohol. Misschien nog meer als in de popmuziek, is het iets wat heel erg aan die scene kleeft. Vooral in de jaren vijftig gebruikte zowat iedereen die bij wijze van spreken een instrument vast kon houden en ze lieten bij bosjes het leven. Charlie Parker; 1955, 34 jaar oud. Billie Holiday; 1959,, 44 jaar oud. John Coltrane; 1967, 40 jaar oud, om een paar van de bekendste te noemen.

 

Natuurlijk hoort Chet Baker ook in dit rijtje thuis. Chet was toen ie jong was een hele mooie man. Van mannen ben ik niet zo snel geneigd om dat hardop te zeggen, maar Chet was het. Een James Dean achtige uitstraling; een goede kop met dito kapsel, strak in het pak, kortom een echte “Coolcat” zoals dat toen werd genoemd. Ik bezit een fotoboek met de titel “Young Chet” van de fotograaf William Claxton en die weet dat op een fantastische manier in z’n zwart/wit foto’s te vangen. Op platenhoezen werd daar ook dankbaar gebruik van gemaakt. Vrouwen vielen als een blok voor z’n verschijning. Maar dat niet alleen; ook voor z’n fluwelen trompetklank. Je kunt ze er bij wijze van spreken midden in de nacht voor wakker maken. Meer nog dan bij welke andere trompettist, wist Chet te betoveren. Een “lyrisch trompettist” werd hij wel genoemd en beter kun je het eigenlijk ook niet omschrijven. Speelt nooit een noot teveel; althans dat gevoel krijg je. Zo natuurlijk, zo zonder franje; uniek in de jazz, waar het toch ook vaak gaat om virtuositeit. De loef af steken ten opzichte van je mede muzikanten, kwam in zijn vocabulaire niet voor. Iedereen die ooit met hem hebben gespeelt kunnen dat beamen. Alles was dienstbaar aan de muziek.

 

Toen ie ook nog het plan had opgevat om te gaan zingen, moet bij menigeen de wenkbrauwen in standje verbaasd hebben gestaan. En ik moet eerlijk bekennen dat ik er in het begin ook nogal moeite mee had. Want is het eigenlijk wel zingen? ’t Is een soort van praten, maar dan op de melodie, heel erg ingetogen, bijna aarzelend. En misschien nog wel breekbaarder dan z’n trompetklank. Toch weet ie daarin wel degelijk te overtuigen. Luister naar z’n bekendste plaat: “My Funny Valentine” en je snapt wat ik bedoel.

 

Maar zoals bij velen in die tijd, eist de heroïneverslaving z’n tol. De foto’s die van hem bekend zijn geven een onthutsend beeld van wat heroïne met je uiterlijk doet. Van James Dean tot clochard komt bij me op. Toch kon ie binnen bepaalde grenzen prima functioneren met die verslaving. En de muziek was z’n grootste geluk. Daar haalt hij de zin van z’n bestaan uit; z’n enige echte liefde. Dat die verslaving toch ook merkbaar van invloed was op z’n spel, mag geen wonder heten. Bij Chet wist je het eigenlijk nooit, want hij had ook vaak z’n avond niet en dan was het ook gewoon slecht wat er uit z’n toeter kwam. Maar ’t was soms ook wonderschoon. Van een breekbaarheid, die je ook in de stem van Billie Holiday hoort op haar latere opnames. En natuurlijk in die van Amy Winehouse.

 

Er zijn net als bij Jimi Hendrix ongelooflijk veel “bootlegs” van Cet Baker in omloop. Het merendeel bevat opnames van live concerten. Chet was daar heel gemakkelijk in; voor een paar honderd gulden kreeg je toestemming om het te tapen, kon ie weer een shotje kopen. Die momenten dat ie z’n avond wel had en helemaal bij de les, dat heb ik wel geprobeerd in z’n portret weer te geven: die breekbaarheid, maar ook die bijna ondeugende jongensachtige blik; “he still got that sparkle in his eyes”.

Uiteindelijk komt ie op een uitermate lullige manier aan z’n eind. Waarschijnlijk onder invloed van drugs valt ie in Amsterdam, uit een hotelkamerraam aan de Prins Hendrikkade. Hij overleeft de val niet en overlijd ter plekke. We schrijven 13 mei 1988, Chet was toen 58 jaar.

Dit portret vormt samen met die van Billie Holiday en Amy Winehouse een kleine serie met als titel: “seks drugs & jazz”. Een titel die mijn inziens de lading wel dekt.

Ze zijn te zien als onderdeel van de groepstentoonstelling: “Muziek in de galerie”, bij Galerie Forma Aktua, Nieuwstad 10 Groningen.

De feestelijke opening is op zondag 28 augustus om 16.00 uur, voorafgegaan door een jazzconcert, beginnende om 15.00 uur.

De tentoonstelling loopt van 25 augustus t/m 25 september.