Profiel

René Jansen - Beeldend Kunstenaar

Over René Jansen

 

René Jansen - beheerste verwildering in vorm en verf.

 

Hoe dicht in een klein landje als Nederland het Noorden en het Zuiden ook bij elkaar mogen liggen: René Jansen is ontegenzeggelijk een Noorderling. Zelfs zijn onvervalst Gronings accent blijft hij koppig herkauwen. Het was dan ook in deze stad waar hij in 1956 voor het eerst het licht zag. Thans woont en werkt hij alweer lange tijd in Kiel-Windeweer. Schitterende naam voor zo’n noordelijk verscholen dorp. Je ziet de schilder bijna voor je: in ruime slobbertrui achter zijn ezel, de tijd vergetend, terwijl buiten een schraal en kiel windeweer langs de ramen waait. En waar buiten de wereld huivert, schikt binnen de schilder zijn warm palet.

 

René Jansen ontving een gedegen opleiding aan de Academie Minerva te Groningen en is van alle markten thuis. Toch mag je hem echt wel een stillevenschilder noemen. In de stille wereld van dit onvolprezen genre ligt zijn grootste liefde. Dat blijkt direct al uit zijn atelier: wie de deur daarvan opent, stapt zonder waarschuwing een levensgroot stilleven binnen. Het eerste wat een ongebeeldende dan zal denken is: “nou, hier doet een blind paard geen enkele schade.” Maar hoe blind is dat! Alles heeft hier zijn plaats en alles heeft zijn orde. Hier rangschikken Tijd en Toeval de meeste stillevens en zij hebben hier de schilder tot hun werktuig gemaakt. Niet omgekeerd. Met dit verbazingwekkende atelier zet René Jansen overigens een oude traditie voort. De werkplaats van de Haarlemse schilder Henri Boot was tijdens diens leven al ronduit legendarisch (er sliep zelfs vreemd volk in) alsook dat van zijn leerling en stadsgenoot Kees Verwey (die liet nog geen kip binnen). Bij René Jansen zou je eventueel wel binnen mogen komen, maar men is geraden zijn aanwijzingen strikt op te volgen: één misstap en een meesterwerk in potentie kan onherstelbaar zijn vernield. Men vindt er potten, pannen, blikjes, eierschalen, maar ook veel bloemen uit de tuin, het domein van zijn vrouw Harma, die daar een beheerste verwildering cultiveert.

 

René Jansen trekt eveneens in zijn manier van schilderen het spoor van de twee eerder genoemde grootheden door, al doet hij dat weer op een volstrekt eigen wijze. De gedempte grijzen van die oude tijd maken bij hem plaats voor een briljante, soms bijna fauvistische kleurenpracht. Hij lijkt een schildersbeest, een woesteling, die zijn stillevens in één ziedende zucht op het paneel borstelt, maar dat is maar zeer ten dele waar. Ook hier is sprake van beheerste verwildering. De compositie wordt uiterst nauwkeurig gewogen en achter elke opzet schuilt weldegelijk een genuanceerd plan. Wie goed kijkt, ziet dat hij eerst in zeer grove en brede streken een half doorschijnende impressie van het geziene weergeeft. Daaroverheen bouwt hij waar nodig met steeds dikkere verf zijn taferelen op. Waar het kan, laat hij die luchtige ondergrond zichtbaar intact, opdat een levendig spel kan ontstaan tussen de schijnbaar onuitgewerkte vlakken en de gedetailleerde onderdelen. De verfhuid speelt bij René Jansen dan ook een schaduwspel met de waargenomen werkelijkheid: een dikker opgebracht bloemblaadje wordt bijna een echt blaadje dat op de randjes van de dikkere verflaag het echte licht opvangt en weerkaatst.

 

Natuurlijk wisselt de schilder zijn stillevens van tijd tot tijd af met een landschap en vaker nog met een naakt, terwijl hij af en toe ook zelf voor de spiegel opduikt. Ook in deze werken overheersen de losse toets en een kleurig palet, maar het lijkt alsof dit alles toch met iets meer afstand wordt waargenomen dan zijn stillevens. In het stilleven lijkt hij het geheim op het spoor te zijn van de zielloze dingen, van het licht dat daar tussendoor dwaalt, de dingen aanraakt en bijna in louter verfstreken uiteen doet vallen. Ons oog, het oog van de toeschouwer, heeft de schilder dan ook hard nodig om deze tere wereld niet uiteen te doen laten vallen, om het schilderij te genieten in vorm en verf.

 

Rob Møhlmann, oktober 2005